Marke Markelo
Stichting Heemkunde Markelo

De bechrijving van de geschiedenis van de marke Marckelo vangen we aan met een algemene beschrijving, waarna we vervolgens middels links verwijzen naar hoofdstukken met meer in detail uitgewerkte onderwerpen.

De Marke Mackelo

Een beschrijving van de geschiedenis van de marke Marckelo moet beginnen met de herkomst van de naam. Er bestaan grofweg twee “theorieën”. De tegenwoordige naam Markelo werd vroeger ook wel geschreven als Marckelo, Merckel of Marcloe en Marclo. Marclo is taalkundig gevormd uit “mark”, dat grens betekent en “lo” wat staat voor bos. Volgens de eerste theorie betekent Markelo daarom “grensbos”. Of deze naam nu ontstaan is doordat Markelo aan de grens van het aloude Twente lag, tegen de brede, ondoordringbare moerassen tussen Schipbeek en Bolksbeek en bovendien dicht bebost was, is niet zeker. De tweede theorie voert terug naar onze oosterburen: in Duitsland ligt namelijk ook een Marclo. Volgens sommige overleveringen is Markelo naar dat oude Duitse Marclo genoemd omdat daar de eerste bewoners vandaan kwamen. Dit zou plaatsgevonden hebben omstreeks de zesde eeuw, toen veel Saksische emigranten uit het land tussen Weser en Eems naar Twente en de Achterhoek trokken en daarbij hun nieuwe woonplaats vernoemden naar de vorige. Vandaar dat opvallend veel plaatsnamen in onze omgeving zoals Stokkum, Elsen, Holten, Wierden ook voorkomen in Duitsland.

Uiteraard is ook vóór de komst van deze nieuwe bewoners, onze streek vanaf de pré-historie bewoond geweest. Getuigen hiervan zijn de vele grafheuvels, urmenvelden en opgegraven gereedschappen, met name nabij de Friezenberg en de Herikerberg.

Invoering christendom

Toen voornoemde Saksische immigranten hier een paar eeuwen woonden, verschenen de eerste Christenpredikers. Liet men deze aanvankelijk maar begaan, later veranderde de gezindheid; men zag deze predikers als handlangers van de vijand, de Franken die al tot het Christendom waren bekeerd. Daarom werden de evangeliepredikers met harde hand verwijderd. Eerst nadat het de Frankische koning Pepijn in 752 was gelukt de ongelovige Saksers te overwinnen, verschenen de predikers hier weer ten tonele. Eén dezer, Lebuïnus geheten, verscheen vanaf 756 geregeld in de volksvergadering der Saksers op de Markeloseberg. (Er zijn wetenschappers die beweren dat deze volksvergaderingen in het Duitse Marclo werden gehouden. Zolang ze elkaar nog tegenspreken houden wij het maar op ons Markelo)

Het was niet eenvoudig de nieuwe leer ingang te doen vinden. Oude heidense gebruiken bleven in stand gehouden, maar werden omgezet in Christelijke feestdagen en kregen een andere naam. Pasen kwam in de plaats van het heidense lentefeest ter ere van de godin Ostara, waarbij vuren ontstoken en gekleurde eieren werden gegeten. Voor het Belderfeest, de God van de zomer, kwam Pinksteren en voor het Joelfeest, dat gevierd werd als de zon haar laagste stand bereikte, kwam het Kerstfeest in de plaats.

Ook plaatselijke gebruiken werden “verchristelijkt”. Zo werd het jaarlijkse heidense offerfeest op de Hulpe vervangen door een processie. Men ging nu vanuit de kerk in processie met heiligenbeelden langs het “Bloedhuisken” naar het beeld van Onze Lieve Vrouwe ter Hulpe, dat daar volgens overlevering door Lebuïnus was opgericht.

Kerklijke toestanden

De oudste kerken, waaronder zeker de Markelose, waren van hout. De paden erheen werden kerkepaden en bleven eeuwenlang - sommige zijn nu nog bekend- als zodanig in gebruik. Elke kerk had haar beschermheilige of patroon. Patroon van de Markelose kerk was de heilige Martinus. Deze naam draagt ze nu weer, sinds de samenvoeging van de meeste protestantse kerken.

Dankzij schenkingen verkreeg de kerk veel bezittingen. Uit de opbrengsten van deze boerderijen, de grond en de door de boeren op te brengen miskoorn werden alle uitgaven van de kerk bekostigd. In geval van extra grote uitgaven zoals de renovatie of herbouw van kerk, pastorie of school moesten de marken Markelo, Stokkum en Herike bijspringen.

De Diepenheimers gingen ook in Markelo ter kerke, tot in 1224 Diepenheim werd afgescheiden van Markelo en ze een eigen kerk kregen.

De laatste pastoor van Markelo, Johannes Hardenack, ging aanvankelijk in 1601 niet in op de oproep van hogerhand om over te gaan tot de nieuwe gereformeerde leer. Een jaar later koos Hardenack eieren voor zijn geld en werd aldus Markelo’s eerste predikant en meteen ook het kortst want hij vertrok in 1603 naar Wesepe. Markelo kreeg toen te maken met een “herderloos” tijdperk; pas in 1612 kwam er een volgende predikant. In de praktijk bleef echter het oude geloof nog tot ver in de 17e eeuw gepraktiseerd. De Provinciale Synode fulmineert in 1662 tegen de heidense gebruiken in Markelo: “in Marckel wordt grote afgoderij gedreven met bedevaart en verering van het beeld”. Ook de beelden in de voormalig katholieke kerk moesten worden verwijderd. De meeste werden als puin begraven, slechts één, de heilige Veronica voorstellend, bleef behouden. Het stond lang als hoeksteen bij het voormalige café Görkink, dat het begin vorige eeuw voor een zacht prijsje verkocht aan ter Kuile in Almelo.

De Marke

De grenzen van de marken waren vaak natuurlijke, zoals beken, hoogtes in het landschap e.d. Bij gebrek aan natuurlijke afbakeningen tussen de marken werden laekepalen of laekestenen geplaatst. Over de plaats van deze grenspalen zijn vele meningsverschillen uitgevochten.

Onze Saksische voorvaderen, die zich hier vestigden, stichtten hun eigen boerderij en kregen (namen) een gelijke hoeveelheid esgrond in eigendom. Alle overige grond: de weiden, de heidevelden, de bossen en de veengronden bleven gemeenschappelijk bezit. Alleen de gewaarde boerderijen, de zogenaamde eigengeërfden, mochten gebruik maken van deze niet-verdeelde gronden. 
De eigengeërfde boeren waren dus de gezamenlijke bezitters van alle niet-verdeelde gronden. Door de groei van het aantal bedrijven was niet te voorkomen (en werd aanvankelijk ook niet als bedreigend ervaren) dat ook niet-gewaarde boeren (eerst clandestien) gebruik maakten van deze grond. Anders dan in andere marken, kregen in de marke Markelo deze nieuwe boeren geleidelijk ook officieel recht kregen op een kwart of een halve waar. Wanneer deze boeren namelijk de hen opgedragen taken, zoals het schonen der waterleidingen, het onderhouden van gemeenschappelijke afrasteringen, wegen e.d. naar behoren uitvoerden kregen ze een kwart of een halve waar. Dit werd in het verslag van de markevergadering van 1646 definitief vastgelegd. Alle volle boeren, de zogenaamde vanouds eigengeërfde boeren, hielden 1 waar of 1 stem en moesten o.a. 92 treden waterleidingen schoonhouden. Half gewaarden moesten 46 treden schoonhouden en kregen een ½ stem in de marke. De kwart gewaarden waren verplicht 23 treden schoon te houden en kregen ¼ stem in de marke. 
Anders dus dan in andere marken waar vaak alleen de oorspronkelijke gewaarde boeren stemrechten en eigendomsrechten hadden op de gemeenschappelijke gronden. In de praktijk werden de Markelose boeren met een kwart waar overigens niet veel anders behandeld dan de niet-gewaarde boeren in die andere marken. 
In de markevergadering van 1837 werd nogmaals besproken wie voor hoeveel gerechtigd was in de marke. De definitieve lijst week slechts op enkele punten af van de lijst die in 1646 was gemaakt, zodat de vele boerderijen die na 1646 zijn gesticht geen stem hadden in de markevergadering: 

Volgewaard, dus met 1 stem in de marke

  • Meenderink
  • Hiddink
  • Wissink
  • Breukink
  • Lonink (verkocht; recht ging via via over op de uiteindelijke koper Steunenberg /Hargeerds)
  • Schrijvers (recht was door de Richter overgeplaatst op Keppels en vandaar opgedeeld over de kopers van Keppels)
  • Roesink
  • Bolink (de helft van het recht verkocht)
  • De Kuper
  • Brinkers (verkocht aan de Boa)
  • de Boa
  • Oldenhof
  • Kottink (verkocht)
  • De Klumper
  • Leusman
  • Kerkemeyer
  • Luevink (opgesplitst in Klein- en Groot Luevink, elk voor de helft)
  • Sink
  • Volkerink (opgesplitst in Stegeman en Tibbert, elk voor de helft)
  • Plasman
  • Tijman (half verkocht)
  • Ovink
  • Nijland
  • Sanderman (boerderij is in 1717 gekocht van de marke incl. het recht op 1 waar)

De volgewaarden in het dorp en Wiemerinkhoek waren:

Klostert, Oeyink (nu bakker Meinders), Hulsbeeke (gekocht door Boslonink), Wiemerink (opgesplitst), Drieses, Sligman, Lammertink, Loos, Lonink de smid (nu Hargeerds), Wessels en Snels. 

Half gewaard (karremannen):

  • Kriegsman
  • Krabbenbos
  • Heuten (gekocht door de Zweer)
  • Niejnhoes
  • Rietman
  • Reinds

Kwart gewaard:

  • Pongert
  • Kraayenzang
  • De Zweer
  • Klooke
  • Bussink
  • Boommans
  • Meyers
  • Endeman

De vele ongewaarden, ook wel genoemd kotters, keuters, brinkzitters, bijzitters of huttemannen zijn buiten beschouwing gelaten. 

Tegen de tijd dat men tot het inzicht kwam dat de gemeenschappelijke markegronden op termijn verdeeld zouden worden en dat het aantal waren/stemmen dat men bezat de sleutel voor de verdeling zou zijn, werd er flink gehandeld in waren. Zo werd er van de boerderijen die niet meer bestonden, van de erfgenamen de waar aangekocht. Andere boeren die krap bij kas zaten, verkochten (een deel van) hun waar, min of meer vergelijkbaar met de huidige handel in melkrechten e.d.

Bestuur

Het markebestuur bestond uit een Markerichter die zich liet assisteren door Assessoren. Hoewel het in principe een erfelijke functie was matigden de gewaarde grondeigenaren van de marke Markelo zich in 1609 het recht toe om zelf een Markenrichter te verkiezen. Het werd Wolter Splinter, de eigenaar van havezate de Oldenhof, die toen al holtvester van de marke was. Vanaf 1614 begon de familie van Raesfelt van Twikkel echter protest aan te tekenen tegen deze benoeming. Zij dachten krachtens rechten, opgetekend in het oude markeboek -dat spoorloos verdwenen was- aanspraak te maken op deze functie. De markevergadering was hiervan niet te overtuigen. Wel was zeker dat vroeger de families van Reede en van Laer, bewoners van het Hulsbeek, het ambt uitgeoefend hadden. Niettemin slaagde Jhr. Johan van Raesfelt, Drost van Haaksbergen en Diepenheim, erin op 16 mei 1615 de begeerde functie in handen te krijgen, waarbij z’n voorganger Wolter Splinter degradeerde tot adjudant.

De familie van Raesfelt had echter moeite om de taken, behorend bij deze functie, te volbrengen. Wegens ziekte, verhuizingen en overlijden werd de functie achtereenvolgens uitgeoefend door Adolf, z’n broer Johan, diens weduwe Bernardina van den Bongaert, zoon Joan en zoon Wennemer. Na het jong overlijden van de laatste werd Jacob van Coeverden tot Stoevelaar (door vererving) in 1659 de nieuwe erfmarkerichter, met als assistent de nieuwe eigenaar van de Oldenhof Arend Jurrien van Haersolte. Jacob’s opvolger werd in 1708 Arnold van Coeverden, Heer van Stoevelaar en Hengelo. Deze werd in 1718 opgevolgd door J.P.C. van Keppel, Heer van Stoevelaar, die in 1745 plaats maakte voor de nieuwe eigenaar van de Stoevelaar Derck van der Wijck.

Daarna was het een komen en gaan van steeds weer nieuwe markenrichters; meestal afgevaardigden van de grootgrondbezitters in Deventer, zoals de stad Deventer, Groote Gasthuis, Pesten Gasthuis, Klooster te Deventer, enkele adellijke families en de Landrentmeester. Achtereenvolgens: T.R.E. van der Capellen, Hendrik Lindeman (naar hem is de Lindemansbeek genoemd), Johannes Schutert en Jan Schuiters. In 1797 werd C. ten Zijthof uit Goor de nieuwe erfmarkerichter.

Onder diens bewind streefden verschillende gewaarde boeren naar verdeling van de gemeenschappelijke gronden en opheffing van de marke. Ten Zijthof was daar niet op voorhand tegen mits hij een flinke afkoopsom kreeg voor het moeten missen van zijn functie. Op 22 april 1820 werd die schadeloosstelling bepaald op f. 750,= plus het gedeelte van de gemeenschappelijke hooilanden die in gebruik waren bij het erve de Kuper dat zijn eigendom was. De verdeling der markegronden werd echter een langslepende kwestie, zodat ten Zijthof in 1823 zijn functie overdeed aan zijn zoon Janus ten Zijthof. Deze verkocht de markenrichtersfunctie uiteindelijk op 20 november 1835 voor f. 400,= aan de gezamenlijke markegenoten. Aldus eindigde, op niet bijzonder waardige wijze, het ambt van markenrichter van de marke Markelo, waarop ooit zoveel edellieden hoge prijs stelden.

Vanaf dat moment waren dus de Markelose boeren baas in eigen huis. Er werd een bestuursvorm gekozen, met een roulatie-systeem waarin elke twee jaar enkele bestuursleden plaats maakten voor nieuwe. Dat was dus geheel tegengesteld ten opzichte van de erfelijke bestuursfuncties die altijd in de familie bleven. Al gauw bleek echter dat het gezag van dat nieuwe bestuur niet overhield. Al in 1839 nam het voltallige bestuur ontslag. Er kwam daarna, onder leiding van niet-belanghebbende buitenstaanders, een nieuw bestuur dat echter een toegevoegd lid kreeg in de persoon van de Goorse kantonrechter De Schepper.

Markeverdeling

Werden aanvankelijk de markevergaderingen slechts bezocht door de grootgrondbezitters van buiten Markelo, vanaf omstreeks 1780 verschenen er ook Markelose boeren, die ondertussen eigenaar waren geworden van hun gewaarde boerderij, op de vergaderingen. Dit werden er snel meer. Vooral toen steeds vaker de verdeling van de markegronden op de agenda stond. Al in 1662 bestonden er concrete plannen om de broekgronden te verdelen, maar dat ging uiteindelijk om onduidelijke redenen niet door. In 1819 werd er weer een plan uitgewerkt, waarbij zelfs alle grond al was gewaardeerd. Bij de uiteindelijke stemming bleken er 16 voor het plan te zijn en 20 tegen. Motieven van de tegenstemmers waren: het kost te veel geld; onze schapen kunnen niet meer naar de heidevelden en het bevloeien van de broekgronden wordt onmogelijk gemaakt. De voorstemmers opperden: particulier bezit geeft hogere opbrengsten van de grond; er wordt steeds meer misbruik gemaakt van de gemeenschappelijke bezittingen; door de vele nieuwe boerderijen in het broek kan het vee er niet meer overal vrij rondlopen en de vroegere eensgezindheid onder de markegenoten ontbreekt volledig.

De verwerping bleek uitstel van executie want omstreeks 1840 werd er een nieuw plan opgesteld dat wel in goede aarde viel. Er werd een commissie ingesteld die de verdeling zou moeten organiseren. Deze bestond uit: J. Dikkers (Oldenhof), G.J. Zwiers (de Boa), D. Rietman en secretaris G. Benthem (onderwijzer). 
Opnieuw werden alle gronden in klassen ingedeeld en gewaardeerd. Er werd een sleutel voor de verdeling vastgesteld: 
broek- en veldgronden: 1 waar geeft recht op 10 aandelen en 1 bunder bouw- of hofland geeft recht op 1 aandeel. 
schaddengrond: een volle boer krijgt 1 aandeel, een karreman krijgt 2/3 aandeel en een kotter krijgt 1/3 aandeel. 
De hele operatie behelsde niet alleen het verdelen van de gemeenschappelijke gronden. Er werden ook nieuwe waterleidingen en wegen aangelegd en oude verbeterd. Die nieuwe wegen herkennen we nu nog als de kaarsrechte landbouwwegen: Slagendijk, Groenlandsdijk, Winterkamperweg, Borkeldweg, Roudaalterweg, Brummelaarsweg, Rietdijk etc. 
Bij Koninklijk Besluit van 21 juli 1842 werd het plan van verdeling goedgekeurd en in 1850 vond de definitieve toewijzing plaats. De totale kosten van de markeverdeling bedroegen f. 23 000,=. 

Om een indruk te geven van de ontwikkeling van de omvang der grootste boerderijen in het beschreven gebied, hieronder een beknopt overzicht:

Boerderij-naam Hectares vóór Hectares na Ingebrachte hectares bij
  markeverdeling markeverdeling ruilverkaveling
  omstreeks 1850 omstreeks 1850 omstreeks 1970
Meenderink 27 50  
Breukink 45 22    (liquidatie + start) 38
De Boa 33 91 41
De Klumper 13 50 38
Chisjan 2 6 34
Stoolhorst 22 26 54

(hectares welke in eigendom zijn, inclusief de verpachte)

Markegronden

Om een indruk te geven welke markegronden werden verdeeld, geven we hieronder de blokken grond die voor verdeling in aanmerking kwamen:

Groengronden: Het Vlier, De Schrijvers Haa, Beesten Groenland, De Lokkert, Hooimaat, Witteriet, Kempkesplas, Kempkesmaat, Boogstobben, Roudaalte, Smeenksvlier, Buiten Brummelaar, De Riet, Schurpselaar, Tussen de Goten, Voor het lange Kappeler, Achter het lange Kappeler, Rouweler, Pikreize, Lindemans Wolfsgoor, Wolfsgoor, Schottink, Tussen de Hooilanden, Enkelaarshorst, De Lugte, Achterste Nije Meen en Voorste Nije Meen.

Heidegrond: Kleine Domelaar, De Pol en de Grote Domelaar, De Pol en de Poppenbelt, Nijlands Belt, Binnen Brummelaar, Apengoor, Driehoek bij Roosdom, Voor de Lugte, Berg bij Leeftink, Berg bij Traast, Berg bij Roessing, Berg Esch, Luttikerveld, Kluunveld, Snorrewinds Belt, Achter het Kluunveen, Hofken na de Berg, Kluunveen, Witte Zand, Achter Nijenkamp en Winterkampen.

Schaddengrond: Het Groenland.

Markevergaderingen

Aanvankelijk waren de markevergaderingen onderonsjes van de grootgrondbezitters, waarbij de Heren uit Deventer goed vertegenwoordigd waren. De markerichter kreeg betaald voor zijn activiteiten. Uit de bewaard gebleven declaraties krijgt men een goed beeld van zijn werkzaamheden voor de marke. De overige leden van het markebestuur kregen geen beloning maar mochten, in bepaalde gevallen, de gemaakte kosten declareren. Een belangrijke uitgaven-post voor de marke vormde de verteringen die tijdens die bijeenkomsten werden genuttigd.

Deze heren bepaalden het beleid en namen beslissingen in zake eventueel gerezen problemen. 

In de marke zelf moest ieder zijn erf door het aanbrengen van een “toen”, een wal of sloot, afschutten opdat het vee, als het naar de weide gedreven werd, niet van de weg, de “veedrift”, kon afdwalen. Wie daarvoor niet behoorlijk zorgde, had al snel een waarschuwing met strafbedreiging van het markebestuur aan de broek. 
Op alle wegen die naar de es leidden hing vroeger een hek, een “vruchte” dat behoorlijk onderhouden en gesloten moest worden gehouden. Het diende het vee, dat vrij rondliep op de gemeenschappelijke gronden, te beletten op de es verzeild te raken. In het markeboek stond beschreven welke boeren verantwoordelijk waren voor deze hekken. Rondom de hele es was, met hetzelfde doel, een brede wal met daarop dicht houtgewas aangelegd. 
De verplichtingen voor het onderhouden van de “vruchte”, werden door overlevering bekend verondersteld, niet schriftelijk vastgelegd en vormden daarmee een latente bron van onenigheid. In 1625, toen alleen de volgewaarde boeren hiermee belast waren, ontstonden zulke ruzies, dat men elkaar, notabene op het kerkhof tijdens een begrafenis, met messen te lijf ging. 
Alleen vroeg in het voorjaar en zodra de oogst binnen was mocht traditioneel het vee overal vrij rondlopen, dus ook op de Es. Er waren echter altijd boeren die zich niet stoorden aan deze regels. Daarom werd in de markevergadering van 18 mei 1614 nog eens duidelijk vastgesteld dat niemand, vanaf mei tot het tijdstip dat de boekweit onder dak was, beesten of schapen in “den es” mocht drijven. Dit op “poene” (straf) van 5 stuivers voor een schaap en 1 goudgulden voor een koebeest. Het schutten van in de es rondlopend vee werd door de eigenaar niet altijd op prijs gesteld. Zo werd A. Meenderink in 1634 door de schutter aangeklaagd, omdat diens “volk” hem de varkens, die hij geschut had, met geweld hadden afgenomen. De markenrichter bestrafte Meenderink daarvoor met een flinke boete. 

Om een indruk te geven van wat er op die markevergaderingen nog meer besproken werd, hieronder een opsomming van die agendapunten die veelvuldig aan de orde kwamen:

  • Grensproblemen met de marken Stokkum, Holten en Elsen.
  • Turf en schadden steken door mensen van buiten de marke.
  • Clandestien gebouwde hutten en in cultuur gebrachte grond; geregeld moest men op stap om die hutten “om te stoten” en cultuurgrond weer “in te smijten”.
  • Keuterboeren die teveel vee hielden; toegestaan was 3 koeien, 3 guste runderen en geen paard, later werd dit tegen betaling verruimd
  • Teveel plaggen steken; toegestaan was voor een volle boer 3 dagwerk, halve boer 2 dagwerk en een keuterboer 1 dagwerk.
  • Idem turf; volle boer 12 dagwerk, halve boer 8 dagwerk en een keuterboer 4 dagwerk.
  • Idem ganzen houden; volle boer 4 ganzen plus de kuikens, overigen 2 ganzen met kuikens.
  • Idem schapen; volle boer 100 schapen, halve boer 50 schapen.
  • Onderhoud en nieuwbouw van kerk, school, pastorie, tolhuis en huis vroedvrouw.
  • De zorg voor een goede brandweer, waaronder het graven van waterputten.

Verkoop van stukken gemeenschappelijke grond wanneer de bodem van de kas weer in zicht was. Vooral de markenrichters, als enigen vermogend, maakten gebruik van laatstgenoemde financieel aantrekkelijke mogelijkheid. Drost Van Raesfelt kocht bijvoorbeeld een groot stuk dat de Drostenmaat ging heten en de grond die de Heer van Stoevelaar aankocht noemde men vanaf dat moment het Stoevelaarsbroek. 

Het dagelijkse beheer van de marke werd uitgevoerd door de Gezworenen. Dit waren vier Markelose eigengeërfde boeren, die na een bepaald aantal jaren vervangen werden door een volgend kwartet. Zij moesten er officieel de eed op afleggen dat ze naar eer en geweten in het belang van de marke zouden handelen. Naast de Gezworenen werden Zetters aangewezen die verantwoordelijk waren voor de financiën en Schutters die toezicht moesten houden op het correct weiden van het vee: alleen op toegestane plaatsen door vee van de eigen marke en in de vastgestelde aantallen. De schutters moesten er ook op toezien dat er geen woeste grond in cultuur werd gebracht, hutten werden gesticht of teveel schadden en turf werd gestoken. Het waren kortom de voorlopers van de latere veldwachter. 

Een groot probleem vormden de clandestien gestichte hutjes op de markegrond. Het was officieel verboden, maar afhankelijk van de omstandigheden wilde men het wel eens door de vingers zien. Hierbij ontstonden er wel eens conflicten tussen het markebestuur en de plaatselijke bevolking. Het is meermaals voorgekomen dat het markebestuur verordonneerde dat een hut afgebroken moest worden, maar de uitvoerders die er mee belast werden dit weigerden vanwege de abominabele leefomstandigheden van de betreffende hutbewoners. Toen het aantal hutten bleef toenemen, ging men huur vragen aan dergelijke “huttemannen”. Maar ook daar kwam niets van terecht omdat er duidelijk geen veren bleken te plukken van deze kale kippen.

Van die vele voormalige hutbewoners noemen we er hier enkele die, tegenwoordig onder heel wat betere omstandigheden, nog bestaan:

Kamers, Nieuw Heuten, ‘nKaamp, Sniederskamp, Pongers hutte, Endemans hutte, Aandendijk, Ebbekinks hutte, de Klooke, De Potsche, De Bles, Lammers, Kottink, Snorrewind, De Koekoek, De Tieje, Dijkjans, De Poppe, Oosterkamp, Haman, Lichtmissen, Bats, Rojan, Hubert, Poppe, Slot, Wissink hutte, Saanders, Bol, Damshutte en De Stobbe.

Buurtschappen

Het gebied van de vroegere marke Markelo is onder te verdelen in vijf buurtschappen (Dijkerhoek, Achterhoek, Borkeld, Groenland/Langstraat/Brummelaar en Markelosebroek), terwijl elk van die buurtschappen weer opgedeeld kan worden in zogenaamde "noaberschappen". De Stichting Heemkunde Markelo heeft alle boerderijen en andere panden die in die "noaberschappen" en buurtschappen staan in detail beschreven. Deze beschrijvingen zullen we hier niet weergeven, wel is per buurtschap een globale beschrijving opgenomen. Hiertoe gelieve u te klikken op onderstaande link naar een pdf-bestand.

Bijlagen

Buurtschappen marke Markelo
De Havezate Oldenhof
Geschiedenis van de Brookschole
Ontwikkeling van de veeverbetering
De laatste huiswever van Markelo
De vroegere huisslachtingen
Noaberplichten 150 jaar geleden
"Geneugens van smos waleer"